Sardinië, here I come!

Nog drieënhalve week en dan is het zover; dan ga ik - voor de derde keer - naar Sardinië. Deze keer zal ik, samen met mijn vriend, ruim twaalf dagen op het eiland verblijven. We hebben een auto gehuurd en kunnen dus gaan en staan waar we willen. Eindelijk dan toch al die mooie plekken ontdekken? Want dat is me de eerste twee keren niet zo gelukt, waarvan hieronder akte.

Reis I
In 1998 besloot ik alleen op reis te gaan. Italië had mijn hart al, dus dat werd mijn bestemming. Ik boekte een vlucht naar Rome en zou verder wel zien. Ik oriënteerde me wat en zag in het blad Reizen dat de Costa Smeralda van Sardinië volgens sommigen de mooiste stranden ter wereld heeft. Ik ben nogal een strandfreak, dus het leek me wel wat daar naartoe te gaan. Een kennis van een kennis, die op mijn flat en katten zou passen tijdens mijn vakantie, bleek toevallig enkele maanden op Sardinië zeillessen gegeven te hebben en kon me het een en ander vertellen.

Enfin, ik vloog naar Rome, verbleef daar anderhalve dag en nam toen de trein naar Civitavecchia, alwaar ik een ticket kocht voor de overtocht naar Olbia. De volgende dag kwam ik vrij gebroken in de haven aan. Ik kon nergens een bus ontdekken die me naar het centrum kon brengen, waar ik inmiddels al een hotel geboekt had. Ik besloot maar de gaan lopen. Het was bloedheet, mijn rugzak bleek véél te zwaar om verder dan een paar minuten mee te lopen en al na een kwartier uur stonden de blaren op mijn voeten. Drijvend van het zweet vond ik uiteindelijk mijn hotel. De douche die ik toen nam... oh, de zaligste! Maar toen. Ik moest natuurlijk snel die prachtige stranden van Sardinië gaan ontdekken. De receptioniste legde me uit waar ik welke bus kon nemen en zo stapte ik een uur later het kleine strandje van Pitu Lungi (als ik het goed schrijf) op. Een lieftallig strandje met uizicht op Tavolara, een rotseilandje dat werkelijk opdoemt uit zee.

Parasols waren helaas niet te huur. Dus smeerde ik me maar goed in en nam me voor maar eventjes in de zon te blijven. Dat deed ik ook. Na een duik en even op mijn handdoek liggen, pakte ik mijn tas weer in en ging ik op een van de twee kleine terrasjes in de schaduw zitten lezen. (ik weet nog wel boek; Het Meesterstuk van Anna Enquist. Ik zat daar in mijn eentje, las een zeer aangrijpende passage en de tranen rolden over mijn wangen)

Na verloop van tijd besloot ik de bus terug naar Olbia te nemen. Het bord waarop de tijden stonden was echter verdwenen. Er stond wel een bus, maar hoe laat die zou vertrekken was dus een raadsel. Een chauffeur was nergens te bekennen. Wachten dus maar. Ik drukte me tegen de zijkant van de bus aan, waar een randje schaduw was. Ik voelde intussen mijn kuiten al branden. Ik had dorst, maar durfde niet terug te lopen naar de strandtent. Want je zal net zien dat de bus dan verdwenen is bij terugkomst.

Eindelijk, na drie kwartier ongeveer, kwam er een chauffeur aan en vertrok de bus. Terug in mijn hotelkamer was het al duidelijk; er was een ramp geschied. Ik was verbrand en niet zo\'n beetje ook... En ik was niet gewoon helemaal rood, nee, mijn arme vel vertoonde vlekken, strepen, pieken... Je wist echt niet wat je zag. Ik begon lichtelijk in paniek te raken. Dit betekende dat ik minstens een week niet in de zon zou kunnen komen. Daar ging mijn vakantie op 's werelds mooiste stranden!

's Avonds ging ik eten in de stad. Ik bleek nauwelijks te kunnen lopen door de verbrandingen. Elke beweging deed me pijn. Ik had willen gaan dansen in een disco die ik had ontdekt om de hoek van mijn hotel, maar de gedachte alleen al deed me ineenkrimpen. Ik ging vroeg naar bed...

De volgende dag bracht ik door op terrasjes in Olbia, al lezend in de schaduw. Bladzijde na bladzijde sloeg ik om en begon me ook daarover zorgen te maken. Ik had drie boeken meegenomen, meer konden er echt niet in mijn rugzak. Maar als ik in dit tempo doorging, zou ik binnen enkele dagen door de voorraad heen zijn!

Die avond vermande ik me. Pijn of niet, ik zou toch plezier gaan maken. Ik trok hippe kleding aan en toog naar de disco om de hoek. Die bleek nog net zo gesloten als toen ik er de eerste dag langs kwam. En hij zou ook niet open gaan. Dan maar weer op een terras zitten... In mijn eentje was de lol er echter toch vrij snel af. Ik ben gewend vlot aanspraak te hebben waar ik ook kom, maar in Olbia viel dat bitter tegen. Veel Sardijnen spreken geen Engels. Andere toeristen waren voornamelijk stelletjes die in elkaar opgingen.

Een beetje chagrijnig en zielig ging ik maar terug naar mijn hotel, alwaar ik enkele uren doorbracht met mijn camping/hotel-brochure, reisgidsje en landkaart van het eiland. Wat te doen? Hoe ging ik de komende week overbruggen, tot ik weer naar het strand kon?

Uiteindelijk had ik het volgende bedacht. Als ik de komende vijf dagen nu eens op een leuke camping ging doorbrengen. Ik had tenslotte een klein tentje meegenomen (voor als ik nergens een hotel zou kunnen vinden). Als ik ergens een luchtbedje kocht, kon ik zó gaan camperen. Daarmee zou ik geld besparen (hotels zijn behoorlijk prijzig op Sardinië) en dat zou me in staat stellen voor de laatste week een auto\'tje te huren. Dan kon ik zelf naar al die mooie stranden rijden.

Bovendien zou ik een camping kunnen uitzoeken waar vanalles te doen was. Dan zou ik me overdag best kunnen vermaken en bovendien veel leuke mensen leren kennen.

Na lang dubben koos ik voor een camping op een schiereilandje; La Gabbiana. Er zou daar vanalles zijn, ook een disco. Leuk!
Ik vroeg de receptioniste voor mij te bellen. Er was plaats. Dus pakte ik de volgende dag de bus naar Palau. Bij de haven aldaar regelde ik een taxi en die bracht me naar de camping.

Ik mocht zelf een plekje uitzoeken. Dus zwoegde ik over de camping met die veel te zware rugzak, op zoek naar een schaduwrijke plaats om mijn speelgoed-tentje (niet eens waterdicht) op te gaan zetten.

Alle plekken in de schaduw waren bezet. Dus koos ik voor een open plek vlakbij het toilet- en douche-gebouw. Wel zo handig. Vlak achter mijn tent was bovendien een schattig klein strandje. Ik was erg tevreden.

Maar toen. Het opzetten van het tentje was geen sinecure! Het schiereiland is in feite gewoon een rots. Probeer daar maar eens haringen in te krijgen, zeker zonder hamer. Ergens diep in mij begon het flink te rommelen van opkomende frustratie en woede. Maar ik liet me niet uit het veld slaan. De alom tegenwoordige stenen wendde ik - inventief als ik kan zijn - maar aan om tot nut te dienen. In elke hoek van het tentje maakte ik een flinke stapel van de stenen. Dat gaf nog enige stabiliteit aan het verder wat slap hangende geheel. Vervolgens toog in naar de campingwinkel en kocht daar een felroze luchtbedje. Ik had niets meegenomen om mezelf mee te bedekken, maar een grote handdoek leek me bij de temperaturen die toen heersten meer dan voldoende.

Toen alles in mijn provisorisch onderkomen in gereedheid gebracht was, toog ik optimistisch gestemd naar de bar. Op het terras zond de moed me al een beetje in de schoenen. Ik zag voornamelijk jongeren van rond de vijftien en verder alleen ouders en heel jonge kinderen.

Tegen zonsondergang ging ik even op het strand vooraan bij de ingang van de camping zitten. Heel mooi. Verderop volley-balden jonge mensen. Kon ik me maar gezellig onder hen mengen. Maar ze hadden geen oog voor dat rare mens dat daar in lange broek en shirt met lange mauwen zat te zitten. En ze spraken bovendien alleen Italiaans.

Toen de zon bijna onder was besloot ik even te gaan zwemmen in het baaitje bij mijn tent. Mijn huid was nu veilig. Het schemerde toen ik het water in stapte. Ik vond het een beetje eng; verder was er niemand in zee, alleen een oud mannetje dat inktvissen uit het water haalde. Ik koelde wel lekker af en keek eens goed rond. O shit. Ik zag wolken samenpakken en geflits in de verte. Was dat bliksem? Nee, dat kon niet. Dat mócht ook niet. Ik heb een fors onweer-fobie. En bovendien was mijn tent niet waterdicht! Maar er was geen ontkennen aan. In een wijde cirkel om het schiereiland heen waren de stapelwolken te zien en jawel, het onweerde echt in die verte.

Als een speer verliet ik het water. Ik racete naar het toiletgebouw om te douchen, haastte me de tent in en propte alles dat absoluut niet nat mocht worden onder het luchtbedje. De rest dekte ik zo goed en kwaad als dat ging af met handdoeken en in looppas ging het toen richting bar. Als er veel mensen zijn en veel geluid, kan ik onweer redelijk verdragen. Opgelucht dat ik het gehaald had voor het onheil ging losbarsten, zat ik aan de bar. Gedachten aan een totaal verregende tent met inhoud drukte ik weg. Kome wat komen moest. Maar ondertussen zat ik stilletjes te bidden, ik, de ongelovige, dat het alstublieft toch maar over zou waaien. Dat kon helemaal niet, ik had zelf gezien dat we geheel werden ingesloten door de buien. Maar... het ongelofelijke gebeurde. Anderhalf uur later was er nog geen druppel regen gevallen en had ik geen enkele bliksem gezien! Langzaam maar zeker verbeterde mijn stemming. Vanaf tien uur zou de disco open zijn. Waar zou die eigenlijk zijn? Ik had nergens iets van dien aard gezien. Wel, om tien uur precies ging er in het restaurant een spiegelbol draaien en dat was De Disco...

Een groep tieners ging daar wat op en neer staan wippen. Dat deed de deur dicht. Ik liet al mijn ongenoegen toe en constateerde dat ik het hélemaal gehad had met dit eiland. Ongetwijfeld was het prachtig, maar mijn conclusie was dat ik beter een andere keer terug kon komen. Met een geliefde bijvoorbeeld. Zéker niet meer in mijn eentje. En ook niet meer zonder eigen vervoer.

Maar ja, ik zat hier. Ik had bij de receptie gemeld dat ik vijf dagen zou blijven. Ik was er een paar uur en had er al genoeg van... Maar toen viel me een gedachte in, briljant in al haar eenvoud. Ik was toch zeker alleen op reis? Waarom had ik dat ook alweer gedaan? Om mijn eigen gang te kunnen gaan en mijn eigen zin te kunnen doen. Als ik dan geen zin meer in Sardinië had, waarom zou ik dan blijven? De ópluchting...
Na nog even overwogen te hebben me te melden bij Club Méditerrannée bij La Maddalena (en geen gehoor gekregen te hebben bij het bellen), stond mijn besluit vast. Ik zou de volgende dag vertrekken. Dus: naar de tent en naar bed.

Echt moe was ik niet. Lezen dus maar. Ik beschikte niet over een zaklamp, alleen over een soort pen met een lampje erin. Het viel niet mee op die manier te lezen. De lichtbundel had een diameter van ongeveer 1 centimeter en die moest ik van woord tot woord over de bladzijde schuiven. Maar goed, kamperen is tenslotte afzien, nietwaar? Het liep tegen half twaalf, het was aardedonker en een auto reed mijn tent voorbij. Opeens viel me een afschuwelijke gedachte in. Mijn tentje stond op een open plek vlakbij dat toiletgebouw. Het énige toiletgebouw. Mensen die een eind verder op de camping stonden, bleken de gewoonte te hebben per auto naar de wc te gaan. Mijn tentje viel in het donker niet op, er stond ook geen lamp of zoiets bij in de buurt. En mijn plekje was best een aardige parkeerplek. Help! Straks zou er nog iemand over mijn tentje rijden! Dat risico was helemaal niet zo ondenkbaar. Zeker wanneer mensen de hele avond in de bar gezeten hadden! Met bonzend hart stond ik weer op van mijn luchtbedje. Ik besloot dan maar voor de tent te gaan zitten lezen tot het stil werd. Maar met dat vermaledijde lichtje had ik er snel genoeg van. Ergens had ik gelezen dat het om één uur 's nachts 'stilte-tijd' was. Zuchtend besloot ik het maar uit te zingen tot die tijd. Ik ging op een muurtje bij het toiletgebouw zitten, waar wél voldoende licht was. Mijn achterste ging zeer doen, maar ik hield vol. Nog eventjes tot één uur. Toen het dan eindelijk zo laat was, bleek ik me schromelijk vergist te hebben. Stilte-tijd hield blijkbaar in dat men nog steeds per auto over de camping kon rijden, maar dan... met de lichten uit!!! Het risico om in mijn tentje te liggen was dus alleen nog maar groter geworden.

Totaal gefrustreerd kon het me op een gegeven moment niets meer schelen. Ik vleide me op hoop van zegen op het luchtbedje, dekte mezelf toe met een grote handdoek en probeerde de slaap te vatten. Dat lukte niet echt goed. Bij elke auto die ik hoorde naderen schrok ik weer op.

Uiteindelijk ben ik blijkbaar toch in slaap gevallen, want heel vroeg in de ochtend werk ik wakker. Het bleek keihard te waaien. Weer klopte mijn hart in mijn keel. Ik zag me al met tentje en al de baai in waaien! De storm had één voordeel; het doek van mijn zak-achtig opgezette tentje stond nu tenminste wel flink strak en zelfs bol, waardoor het niet meer als een vochtige slappe vaatdoek tegen mijn gezicht hing. Gespannen wachtte ik af. Dommelde toch weer in. Ruim voor mijn reiswekkertje om negen uur afging, stond ik echter naast de tent. In record-tempo pakte in mijn rugzak in. Als laatste moest het luchtbedje leeggedrukt worden en opgerold. Juist toen ik daarmee bezig was, begon het dan toch te regenen. Ik grinnikte in mezelf. Was ik daar even mooi vanaf gekomen! Al mijn andere spullen waren lekker net ingepakt. Overigens duurde dat buitje maar een minuut of anderhalf. Daarna stond de zon alweer genadeloos aan een strakblauwe hemel.

Ik liep naar de receptie, betaalde die ene nacht, haalde mijn spullen uit het gehuurde kluisje en vroeg hoe laat de bus naar Palau vertrok. De receptionist noemde tien uur, maar toen ik voor alle zekerheid het buiten aangeplakte schema bekeek, zag ik dat-ie om half tien al kwam. Mooi! Had ik nog net tijd voor een cappuccino in de bar en kon ik gelijk daarna de bus nemen.

Even later sjokte ik naar de bushalte. Zo\'n 500 meter was het lopen, maar het leken wel vijf kilometers. Wat een hitte al. Bij de halte was geen bankje te bekennen. Ik nam plaats op een puntige rots en wachtte af. Al wat er kwam; geen bus. Ik begon me alweer flink te irriteren. Mijn flesje water was ook alweer bijna leeg. Na een half uur kwam er een stelletje richting halte. Ook zij namen op een rots plaats en wachtten met mij. Nog een half uur later was ik het méér dan zat. Ik besloot de receptie van de camping te bellen, om die te vragen een taxi te bestellen. Weer was ik erg dankbaar dat ik de mobiele telefoon van mijn vriendin had mogen lenen (destijds was het nog niet alledaags in Nederland om zo\'n ding te hebben). Het stelletje zag dat ik in een boekje keek en wilde gaan bellen. Het meisje kwam naar me toe en ik vertelde dat ik een taxi ging regelen. Zij en haar vriend wilden dan graag ook mee naar Palau; konden we mooi de kosten delen. Prima idee! Maar jawel, je raadt het al, juist toen ik ging bellen kwam de bus eraan. Wat bleek? Hij zou niet om half tien áánkomen bij La Gabbiana; die tijd op het bord sloeg op de vertrektijd van de bus uit Palau. Ja, ja... De rit naar Palau duurde zo'n drie kwartier. Aangekomen bij de haven stalde ik me in de redelijke koelte van het haven-kantoortje, waar ook een bar met buffet was. Ik at een broodje met gegrillde aubergine en dronk koffie, jus d\'orange en veel water. Ik ging weer twijfelen. Zou ik écht wel van het eiland afgaan? Want dat betekende ook: geen toch over het smalspoor, welke ik toch graag wilde maken. En ook geen mooie stranden. Twee uur lang heb ik daar zitten dubben, weer omringd door landkaart, reisgidsje, treinschema\'s en info, verzameld bij de Informazione van Palau. Maar nee. De conclusie was toch: ik kom hier nog weleens terug. Nu ga ik naar Rimini! Waar ik de stad al een beetje kende en bovendien het jaar daarvoor flink wat mensen had ontmoet. Ik stond op en kocht een buskaartje naar Olbia. Prima, dat kon; de bus kwam over tweeënhalf uur weer. Oh.

Ik ging buiten op een terrasje zitten, met uitzicht op de haven. Lekker pilsje erbij. Er streek een groep Nederlanders neer, type Johnny's en Anita's. Ik merkte dat ik, na drie dagen op dit eiland, snákte naar een beetje conversatie. Veel verder dan wat korte, zakelijke vragen als 'hoe duur is een overnachting'en 'een cappucino alstublieft' was ik niet gekomen. Ik vroeg de lawaaiige lui hoe het weer in Nederland was, want ik had opgevangen dat ze even tevoren getelefoneerd hadden met familie. Dertien graden!!! joelde de dames uit het gezelschap, duidelijk supertevreden daarover. Ik wiste het zweet nog maar eens van mijn voorhoofd en overwoog nog maar eens of ik niet toch nog even een boottochtje om La Maddalena zou maken. Maar ik dacht dat dat wel veel te duur zou zijn.

Eindelijk kwam de bus. Die bracht me naar Olbia. Het was zondag. En al snel werd het me duidelijk dat veel restaurants gesloten waren. Een broodje op het station kon ik kopen, dat was het. Daar doodde ik de tijd maar weer met wat lezen. Tegen zevenen kon ik mijn kont uit mijn stoel losweken en ging ik op zoek naar een bushalte, waar een bus zou stoppen die naar de haven ging. Niet te vinden. Navraag leverde ook niets op. Taxi\'s waren ook nergens te bekennen. Lopen dan maar weer... Onderweg kocht ik een ijsje, maar door de enorme hitte drupte dat all over mijn kleine rugzak, die op mijn borst hing. Weer liep ik de blaren op mijn voeten. Maar toen zag ik een taxi. Ik moet wel erg hopeloos en zielig gekeken hebben, want de chauffeur maakte een gevaarlijke draai op de weg en stopte. Ik voelde me een beetje schuldig; naar de haven was het nog maar een pokkeneindje. Per auto tenminste. Te voet, wist ik nog van de dag dat ik aankwam, was het een marathon met die zware bepakking.

In het havenkantoor kocht ik een kaartje voor de overtocht. Er was plek; de boot zou om twaalf uur vertrekken. Het was half negen... Bij de bar was een winkeltje en daar kocht ik een Engelse krant. Mijn boeken waren uit. Ik las nieuws dat me weinig zei en verveelde me. Wat een wachtdag was dit... Ik nam me voor om voortaan, als ik ergens enkele minuten moest wachten en me dan al opwond, aan deze dag terug te denken. Dan zou wachten bij een kassa helemaal niets meer voorstellen!

De boot kwam ook nog een uur te laat. In mijn stoel (er waren geen hutten, want op zondag ging er alleen een snelboot en daar zijn geen hutten op) probeerde ik wat te slapen, maar kon geen goede houding vinden. Totaal oververmoeid stapte ik rond zes uur \'s morgens van boord in Civitavecchia. De trein naar Rome was net weg; weer drie kwartier wachten.

Eindelijk weer op Termini ging ik naar de loketten en kocht een enkeltje Rimini. Dat kon; over 2,5 uur ging er weer een trein... Het wachten ging vrolijk door. Buiten Termini at ik een American Breakfast bij McDonald's. Daar viel ik zittend aan een tafeltje in slaap. Ik werd godzijdank niet beroofd en haalde bovendien op het nippertje mijn trein nog. In Rimini vond ik via de info op het station direct een heel goedkoop maar prima hotel. Die eerste nacht heb ik alle gemiste slaap van de ramp-nacht op La Gabbiana en de doorwaakte nacht op de boot ingehaald. En daarna heb ik er de week van mijn leven gehad! (maar dit is een Sardinië-reisverhalen-site, dus daarover vertel ik niets)


Reis II
In 1999 pakte ik het heel anders aan! Ik boekte een vlucht naar direct naar Rimini, huurde een appartement vijf minuten van de luchthaven en nam twee grote koffers mee. Niks rugzak, niks afzien! Luxe en comfortabel.

In 2000 stond Italië weer op het programma. Maar nu mocht het weer wat rondtrekkeriger zijn. Ik ging samen met een vriendin, T. Weken waren we bezig met het bedenken van bestemmingen. Het werd: eerst naar Rome, daar twee dagen blijven. Dan op de boot naar... jawel, Sardinië. Aldaar hadden we een auto besproken en zouden we een week gaan rondtrekken.

De boottocht verliep heen prima. We lieten ons direct nadat we aan boord gegaan waren op de wachtlijst zetten voor een hut (bij het reserveren enkele weken daarvoor waren die niet meer beschikbaar). We kregen 'm nog ook. Ik heb lang op het dek gezeten, met wijntjes en in gezelschap van leuke mensen, terwijl T. al op één oor lag in de hut.

In Olbia haalden we op de luchthaven ons autootje op. We hadden twee nachten geboekt in een niet te duur hotel in Olbia. En weer bezocht ik Pittu Lungi (weet wéér niet of ik het goed schrijf). Nu wist ik uiteraard beter; niet langer dan een kwartier in de zon! Ik snorkelde langs het strand en genoot. Er gaat dan zo 'n andere wereld voor je open! Erg veel vis zat er niet, maar toch was de onderwaterwereld zeer de moeite waard.

Olbia bleek met z\'n tweeën toch leuker. We aten uitgebreid. De laatste dag at ik zwarte pasta; gekleurd met inktvisinkt. Dat vond ik zo bijzonder, dat móest ik proberen. Helaas werden mijn lippen en tanden net zo zwart als de pasta...

Ik had bedacht dat we na Olbia maar eens naar Porto Cervo moesten gaan. Lekker jet-setterig enzo. En het moest een leuk plaatsje zijn met schitterende stranden. We reden er naartoe. Zagen bordjes waarop het centrum van Porto Cervo aangegeven stond, maar konden dat k*t centrum dus gewoon nergens vinden. Ook een betaalbaar hotel in de omgeving was niet te vinden.

Gefrustreerd streken we uiteindelijk maar neer op een terrasje. Wat te doen? Waarheen? Na lang bladeren in de reisgids viel de keuze op Alghero. We maakten een mooie tocht daar naartoe. Ik was opgelucht toen we het plaatsje binnenreden. Leven in de brouwerij! We gingen naar de Informazione, kregen een lijst met hotels en sloegen aan het bellen. We hadden snel beet. Een hotel, dat ook nog vlak om de hoek bleek te liggen, had voor vier nachten plek én was betaalbaar. Want dat hadden we inmiddels al besloten; niks rondtrekken en elke dag die rugzak weer inpakken. Daar hadden we nu al genoeg van. Gewoon lekker vier nachten in Alghero blijven en van daaruit wel dingen gaan doen. In het hotel waren we de koning te rijk. Het lag op een goeie plek en de kamer had veel kasten. We pakten álles direct uit. We waren zo blij dat we nu maar liefst vier dagen niet meer in hoefden te pakken! We douchten, belden naar het thuisfront en maakten ons op het stadje in te gaan. En toen kwam de dom!

 per. Beneden meldde een man ons dat er een fout gemaakt was. We konden geen vier dagen blijven, maar slechts één nacht! De moed zonk ons in de schoenen. Ziedend van woede gingen we weer naar boven. Wat nu? Hier blijven we niet! riep ik uit en nam wederom de telefoon ter hand. T. was het ermee eens dat we, als ik een hotel zou vinden dat wél voor vier nachten plaats had, onmiddellijk weer zouden vertrekken. Ik belde en het was raak bij hotel San Marco. Dat lag direct aan het mooie Lido-strand. Het was wel wat duurder dan we in gedachten hadden, maar dat kon ons niet meer schelen. Alles dat we wilden was rust! We pakten in: binnen een kwartier waren we klaar. We schaterlachten om hoe we het elke keer weer sneller bleken te kunnen. Maar ik was nog steeds kwaad op het hotel. Ik wilde mijn boosheid afreageren en hoopte op een discussie met de receptionist. Want wij gingen natuurlijk niets betalen voor die anderhalf uur dat we de kamer en de douche gebruikt hadden. Maar toen ik zei dat we gingen en de sleutel demonstratief voor de neus van de man hield, zei hij alleen maar 'okee'... Nou ja, vooruit.

We vonden het San Marco snel en het was er heerlijk. Onze kamer keek uit op de baai en het strand was direct aan de overkant van de weg. De kamer was mooi en had een groot balkon. En... een koelkastje. Dat was gunstig, want stelde ons in staat wat beleg, boter enzovoort te kopen en goed te bewaren. Dat spaarde weer een lunch in een restaurant uit en zo konden we de extra kosten voor deze kamer wat compenseren.

In Alghero hebben wij het prima naar onze zin gehad. In de omgeving vonden we kleine baaitjes waar het helemaal niet druk was en waar je prachtig kunt snorkelen. We maakten een boottripje naar de 'grotte di Nettuno', onderin de capo Caccia. Gewéldig! Het varen langs die kaap was al indrukwekkend, maar die grotten! Ondanks dat het er stikte van de mensen en er kunstmatige lichten achter de stalagmieten waren aangebracht, liep ik er rond met de tranen in mijn ogen om zoveel schoonheid. Van het nachtleven van Alghero heb ik helaas niet veel meegekregen. T. had geen zin in uitgaan. Ze miste haar kersverse vriend erg en was vaak ook heel moe. Ze weegt ver over de honderd kilo en de hitte, het wandelen en afdalen en vooral beklimmen van trappen of rotsachtige paadjes naar strandjes vielen haar niet mee.

Toen zij de tweede avond ging slapen, ging ik echter wel 'uit'. Ik nam plaats op een terrasje vlakbij het hotel en ontmoette er een plaatselijke zanger. Achter op zijn scooter en naast hem in zijn autootje heb ik wel kennis gemaakt met hokjes van badmeesters en een geleend vakantiehuisje van een vriend van hem, waar heel lief een doosje lucifers en twee sigaretten voor ons waren klaargelegd. Elke avond trad hij op en zodra ik in beeld verscheen, zong hij 'Lisa dall' occhi blu' (of zoiets) voor me (in Italië noem ik me maar Lisa, wel zo handig). Erg romantisch.

Op de dag dat we zouden terugvaren, reden we van Alghero naar Cagliari. Weer een mooie tocht, al was het eigenlijk veel te warm om te rijden. We leverden de auto in en pakten de bus naar de haven in de hoofdstad. Onder het genot van een ijskoud biertje wachtten we op een terrasje op het moment van afvaart.

De boottocht was prettig. Hij duure veel langer dan vanaf Olbia, vertrok om zes uur in de middag, en dus hadden we enkele uren op het dek bij daglicht. Op een gegeven moment kreeg ik een wat onbestemd gevoel, draalde ik wat en ging over de railing hangen en over zee uitkijken. En toen zag ik ze; vele kleine groepen dolfijnen! Ik riep T., hoorde verrukte kreten vanaf het schip en zo aanschouwden we de voorbij trekkende zeezoogdieren. Prachtig. Helaas sprongen ze niet omhoog of zoiets. Maar toch.

De volgende ochtend meerden we aan in Civitavecchia. Daar moest ik nog overgeven op het station, omdat ik in de wc wel dacht de remsporen van een ander zonder problemen uit de pot te kunnen wissen voordat ik mijn behoefte ging doen. Mis. Mijn zojuist genuttigde cappuccino golfde de pot in en dreef rond tussen de poepresten, welkeaanblik voor een nieuwe overgeef-ronde zorgde. Enfin.

Vanuit Rome namen we de trein naar Gaeta, een mooi dorpje aan de kust tussen Rome en Napels. We logeerden daar vier dagen bij een vriend van mij en togen daarna richting Adriatische zee, voor een laatste week vakantieplezier. Daar wachtten vier vrienden ons al op in het gezamenlijk gehuurde appartementje. Het was weer fijn in Rimini en Riccione. Maar toch had ik een beetje spijt van ons verblijf op Sardinië: weer eigenlijk niet zoveel van het eiland gezien...

Reis III
Nog drieënhalve week dus! En dit keer... ik heb me vast voorgenomen nu ECHT veel te gaan zien. Tips en reisverslagen zijn van harte welkom!!!

Geschreven door Lisa